De antieke Auteurswet

Pas in september 2023, toen ik startte met een studie Mediarecht, besefte ik dat rechtsregels omtrent het overnemen van foto’s op internet ontbreken. Het studieboek Eigendomsrecht & Mediarecht – € 54,95, inmiddels niet meer leverbaar – stamt namelijk uit 2014. Toen waren de Europese uitspraken die duidelijkheid verschaffen over internetlinks en framing er nog niet.

Het was een van de redenen waarom ik een jaar later inging op de uitnodiging van Josje Kuenen om een boek te schrijven over fotorecht in het digitale tijdperk.

Tot september 2023 was ik in de veronderstelling dat recht nu eenmaal geen exacte wetenschap is en dat je discussies met geroutineerde juristen als leek bij de rechter verliest: het is een woordenspel. Kwalijk vond ik vooral dat rechters meegaan in de buitenproportionele vorderingen terwijl de wet uitgaat van daadwerkelijke schade. Daar gaat een afschrikwekkende werking vanuit waardoor mensen bang worden voor rechtszaken en dus onredelijke fotoclaims dan maar betalen.

Nu het boek klaar is vind ik het vooral bizar dat de Auteurswet nog uitgaat van een analoge werkelijkheid. Europees recht (Unierecht) gaat al meer dan twintig jaar uit van mededeling aan het publiek (MAHP). Nederland heeft het echter nog over openbaar maken en verveelvoudigen. Ik vind de wetgever echt nalatig wat dat betreft.

Kern van de Auteurswet is dat de maker als enige het recht heeft om winst te maken met zijn creatie. Artikel 1 is sinds 1912 ongewijzigd:

Het auteursrecht is het uitsluitend recht van den maker van een werk van letterkunde, wetenschap of kunst, of van diens rechtverkrijgenden, om dit openbaar te maken en te verveelvoudigen, behoudens de beperkingen, bij de wet gesteld.

Een foto die op het openbare internet staat, kan niet meer openbaar gemaakt worden: die is openbaar. In de antieke wet is daar nog wel wat over terug te vinden (artikel 12.1) al spreekt de wetgever nog van ‘in druk verschenen’. Alsof er nog een drukpers is vereist en internet niet bestaat.

Onder de openbaarmaking van een werk van letterkunde, wetenschap of kunst wordt mede verstaan:
(...)
2°.de verbreiding (...) of verveelvoudiging van het werk, zoolang het niet in druk verschenen is;

Foto’s die in druk zijn verschenen (boek, tijdschrift of krant) kunnen volgens de wet niet meer openbaar gemaakt worden, alleen nog verveelvoudigd. Foto’s verveelvoudigen kan met een afdruk van het fotobestand, een fotokopie of een herdruk van het uitgegeven werk.

Op internet kun je een foto mededelen aan het publiek zonder verveelvoudiging, namelijk via een internetlink. Je leent het fotobestand dan als het ware van een andere website. Volgens de Nederlandse wet is dat geen inbreuk; de foto is al openbaar gemaakt op die andere website en je verveelvoudigt niet.

Onder Unierecht kan het echter wel een inbreuk zijn omdat men beoordeelt of er een nieuw publiek bereikt wordt met de mededeling. Volgens het Svensson-arrest is dat niet het geval als je aanklikbaar verwijst naar de bronwebsite. Je mag dus een foto insluiten met een internetlink – in vakjargon heet dat embedded link, hotlink of automatische link – mits je aanklikbaar verwijst naar de bron. Een aanklikbare verwijzing noemt men hyperlink.

De aanklikbare bronvermelding (= hyperlink) bij een ‘geleende’ foto (= hotlink) is onder Unierecht verplicht, maar volgens de Nederlandse Auteurswet niet. Ergo in de Nederlandse wet staat helemaal niks over internetlinks. En ook de woorden webpagina en downloaden ontbreken in de wet. Dat veroorzaakt rechtsonzekerheid. En die rechtsonzekerheid wordt vergroot doordat de termen hyperlink en hotlink in jurisprudentie door elkaar gehaald worden.

Eenieder snapt dat het recht op openbaar maken vervalt op het moment dat de foto op het openbare internet verschijnt. Maar wat vrijwel niemand lijkt te beseffen is dat het uitsluitend recht op verveelvoudigen ook vervalt als de maker een ander een onbeperkte licentie verleent. Dan zijn er namelijk twee partijen die het recht hebben de foto te verveelvoudigen en is dat verveelvoudigingsrecht niet meer exclusief. In het analoge tijdperk verviel die exclusiviteit niet omdat je afsprak hoevéél verveelvoudigingen de ander mocht maken: in de overeenkomst stond een oplage vermeld.

De Persgroep (tegenwoordig DPG Media) verlangt van freelancefotografen een onbeperkte exploitatielicentie met een exclusiviteit van 7 dagen. De fotograaf mag in die 7 dagen de foto aan niemand anders verkopen. Gedurende die 7 dagen heeft DPG dus het auteursrecht, daarna vervalt het exclusieve exploitatierecht. De fotograaf behoudt wel zijn persoonsrechten, zoals het recht op naamsvermelding. Maar let op, het recht op naamsvermelding geldt alleen bij openbaarmaking volgens de wet. Bij het overnemen van een foto is naamsvermelding niet verplicht als de naam bij de bronfoto ontbreekt.

In de rechtszaak over de foto van de val van Epke Zonderland beschuldigde ANP mijn cliënt van het openbaar maken van een bijgesneden foto zonder naamsvermelding en zonder betaling van een vergoeding. Ik heb dat betwist met dat de foto al openbaar gemaakt was zonder naamsvermelding door onder andere de NOS. De kantonrechter woog dat mee in zijn oordeel dat er geen auteursrecht op de foto rust:

4.5 (…) Daarnaast gaat ANP ook niet (gemotiveerd) in op het verweer van [gedaagde in conv] dat voormelde foto al op het internet heeft gestaan zonder dat daarbij een naams- en/of copyrightvermelding stond. De kantonrechter acht dit van belang, nu ANP niet alleen een beroep doet op de inbreuk op haar auteursrechten door herplaatsing van de oorspronkelijke foto, maar ook dat [gedaagde in conv] de foto heeft geopenbaard en deze heeft bijgesneden zonder de naam te vermelden van de fotograaf en/of de rechthebbende. Rechtbank Gelderland 14 januari 2026, ECLI:NL:RBGEL:2026:178

Naar de letter van de Nederlandse wet zit er op een foto die door meerdere partijen is uitgegeven en verschenen is op het internet geen auteursrecht. De foto is namelijk al openbaar gemaakt en het verveelvoudigingsrecht is niet meer exclusief. En als een van de uitgevers de naam van de fotograaf niet vermeld vervalt ook het recht op naamsvermelding.

Hoogste tijd dat Nederland openbaar maken en verveelvoudigen vervangt door mededelen aan het publiek. Zodat de merkwaardige term in jurisprudentie – 'eerste openbaarmaker' – niet meer nodig is. Dan moeten rechters oordelen of er nieuw publiek wordt bereikt met de mededeling. En dus niet of een fotobestand wel of niet gekopieerd is: een bezoeker ziet namelijk niet van welke server een bestand ingeladen wordt.

Enfin. Hier gaat mijn boek Fotorecht in het digitale tijdperk dus over. Dat heeft als ondertitel:

Hoe een verouderde Auteurswet leidt tot rechtsonzekerheid en een vals verdienmodel.

Het zal nog wel jaren gaan duren voordat de Auteurswet gemoderniseerd wordt. En ik vrees dat het tegen die tijd niet meer nodig is. Dan zijn alle auteursrechten opgeslurpt door big tech en communiceren we met machines. Want hoe leuk (en verslavend) is dit AI-resultaat wel niet? Ik zocht iets dat ik jaren geleden schreef...